Walvissen in Rotterdam

In de ondergrond van Rotterdam zijn skelet- en schedelresten van walvissen gevonden. Dat zijn geen overblijfselen van dieren die vroeger landinwaarts langs de rivier zijn aangespoeld, maar sporen van de walvisvaart in de zeventiende eeuw en de daaraan gekoppelde bedrijvigheid. Het gaat daarbij vrijwel uitsluitend om botresten van Groenlandse walvissen. In deze tentoonstelling lieten we (van 22 februari t/m 11 mei 2014) de mooiste stukken zien uit onze eigen museumcollectie en uit de verzameling van BOOR (Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam).

In de zeventiende eeuw voeren Nederlandse schepen naar de noordelijke zeeën om walvissen te vangen en te verwerken. Het ging daarbij om de dikke speklaag die tot traan (olie) werd ingekookt. Walvistraan was een belangrijke grondstof voor zeep, om leer te looien, en een brandstof. Traankokerijen stonden op Spitsbergen, maar ook in Nederland. 

De walvisbotten die in Rotterdam zijn opgegraven, wijzen ook op de aanwezigheid van traankokerijen, maar de meeste van de gevonden botten zijn gebruikt voor de winning van de zogenaamde fijne ‘knekel- of kneukelolie’ die gebruikt werd door uurwerkmakers. De olie droop uit stukken bot die daartoe speciaal werden voorzien van boorgaten. De botten werden als hekpaaltjes of versieringen gebruikt, of eindigden als afval (en nu als museumstuk).

In Rotterdam is de Oude Plantage (Kralingen, langs de Maasboulevard) de bekendste vindplaats van walvisbotten, maar ook in het centrum zijn in de afgelopen honderd jaar bij bouw- en graafwerkzaamheden veel botten gevonden. Onder het Postkantoor op de Coolsingel kwam een stuk potvisschedel tevoorschijn, en bij de aanleg van de oude Bijenkorf aan de Schiedamsesingel is een compleet schouderblad van een Groenlandse walvis gevonden. Ook recente opgravingen in Delfshaven (VOC-werf) leverde walvisvondsten op.

De laatste jaren verschijnen weer walvissen in Rotterdam. Dat zijn echter slachtoffers van de scheepvaart, die op boegen van grote zeeschepen meegevoerd worden.