Home // Exposities // vast: Skelet olifant Ramon // Ramon: van kadaver tot skelet

Ramon: van kadaver tot skelet

het grof uitgebeende skelet

Het Natuurhistorisch Museum Rotterdam ontvangt regelmatig dode dieren: een eend die zich heeft doodgevlogen tegen een ruit, een valk die uit het nest is gevallen, een aangereden haas of een zeevogel besmeurd met stookolie. Dergelijke kadavers worden opgezet, op sterkwater (70% alcohol) bewaard of het (losse) skelet wordt opgenomen in de collectie. Om een dier te 'skeletteren' worden huid, vlees en ingewanden zoveel mogelijk verwijderd en de nog vuile (vette, vlezige) botten, schedel en onderkaak gaan vervolgens met een schepje witwasmiddel in een afgesloten warmwaterbad dat op een temperatuur van 40 graden wordt gehouden. Bij een muis is een jampotje met warm water voldoende. Na een week of twee zijn de skeletdelen letterlijk schoongerot. Enzymen uit het wasmiddel versnellen de afbraak van eiwit (vlees). Dit proces heet maceratie. Het jampotje wordt in een zeef geleegd, de (vreselijk stinkende) prut wordt gespoeld en het schone, losse skelet blijft over. Een olifant als aanwinst voor de museumcollectie is (gelukkig) een zeldzaamheid en van een ander kaliber als een muis. Het principe is echter hetzelfde: schoonsnijden, uitbenen, in het warme bad, en schoonspoelen.


maceratiebassins worden gevuld

Het Natuurhistorisch Museum had geen tijd om te aarzelen toen Diergaarde Blijdorp op vrijdag 24 april 1998 om 16.00 uur de versdode olifant beschikbaar stelde: het kadaver moest de volgende ochtend voor openingstijd weg zijn, want Ramon lag in zijn buitenverblijf, zichtbaar voor het publiek. In eendrachtige samenwerking scheidde een snijploeg van het museum en Diergaarde het vlees van de botten, geholpen door zwaar rijdend materieel.

schedel in de stinkende maceratie-drab

Het zoveel mogelijk uitgebeende skelet werd achter de schermen van de Diergaarde opgeslagen en 's maandags (27 april 1998) naar Naturalis in Leiden getransporteerd, waar men de beschikking heeft over een speciale macereer-ruimte met enorme verwarmde waterbakken. Het Natuurhistorisch Museum maakte dankbaar gebruik van deze faciliteiten. Ramon's botten en schedel gingen in de 'Leidse' warmwaterbakken. Na een week of twee gingen de bakken open voor een eerste spoelronde. De lucht die daarbij vrijkwam sloeg alles wat de doorgewinterde Natuurhistorisch Museum- (en Naturalis-) medewerkers (wat vieze luchtjes betreft) meegemaakt hadden. De volgende ronde was qua lucht dragelijker en de skeletdelen kwamen mooi schoon uit de maceratiedrab. 

Het losse skelet kreeg een plaats in het depot van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam. De schedel met onderkaak een opperarmbeen werd tijdelijk geëxposeerd. In 2004 groeide bij het museum de wens om Ramon niet in het depot te laten rusten, maar als Rotterdams natuurhistorisch topstuk in ere te herstellen. De botten, waar inmiddels nog het nodige vet uitgedropen was, kregen nog een laatste schoonmaakbeurt, en in de afgelopen maanden werd het skelet botje bij botje, wervel voor wervel, in elkaar gezet.