Oerwalvissen

In ‘Oerwalvissen - fossiele schatten uit de Westerschelde en de grootste muil ooit’ ontdekken bezoekers unieke walvisfossielen uit de Westerschelde en staan ze oog in oog met een reuzenroofpotvis met de grootste muil ooit! 

Wetenschappelijke expedities van Het Natuurhistorisch op de Westerschelde leverden tussen 2014 en 2019 een opgeviste schat aan fossielen op: loodzware brokken zandsteen met daarin bijna puntgave schedels van zeezoogdieren. Na duizenden uren schoonmaken bleken de fossielen tot de best bewaarde van Europa te behoren. Onderzoek toonde aan dat er tussen 7,5 en 8,8 miljoen jaar geleden minimaal zes soorten dolfijnen en walvissen leefden in de oer-Noordzee. Sterker nog: deze soorten bleken nieuw voor de wetenschap. Hun fossielen zijn nooit eerder of op andere plekken gevonden.

In 2008 vonden onderzoekers van de natuurhistorische musea van Rotterdam, Brussel, Parijs, Pisa en Lima in de woestijn van Peru de 9 miljoen jaar oude resten van een zeemonster. Het complete dier was 13 tot 18 meter lang en had tanden van 36 centimeter. Het bleek de grootste roofpotvis ooit. Het Natuurhistorisch bezit een levensechte reconstructie van de schedel. Roofpotvissen zijn uitgestorven verwanten van de moderne potvis. Ze hadden grote tanden in de onder- en bovenkaak, terwijl de moderne potvis juist een smalle, zwakke onderkaak met kleine tanden heeft. Roofpotvissen jaagden op andere walvissen en haaien, die ze in stukken beten.

In de Westerschelde zijn losse tanden van vergelijkbaar formaat gevonden. Ook in de oer-Noordzee leefden dus reuzenroofpotvissen!